maandag 14 juni 2010

Kanaleneiland: dweilen met de kraan open

Welzijnsdirecteur Heinz Schiller stelde vorig jaar in de Volkskrant dat het welzijnswerk in Kanaleneiland nauwelijks zoden aan de dijk zet. Niet welzijnswerk, maar beter onderwijs, ouderbetrokkenheid, werk en herstructurering helpen de bewoners vooruit. ‘Het welzijn is niet de spil.’

In zijn boek De kunst van het stijgen. Over sociale mobiliteit en welzijnswerk dat er toe doet onderbouwt Heinz Schiller zijn ideeën. Volgens hem schieten veel vernieuwingsprojecten op Kanaleneiland hun doel voorbij, omdat ze niet gericht zijn op verbetering van de maatschappelijke positie van bewoners. Het streven naar sociale cohesie in de Vogelaar-aanpak werkt volgens hem averechts: het bevestigt eerder de achterstand, dan dat het die doorbreekt. Dagvullend onderwijs, grotere ouderbetrokkenheid en werkende moeders die het goede voorbeeld geven, leveren meer op, zegt hij. Het welzijnswerk zou zich dan ook moeten beperken tot het versterken van ouderbetrokkenheid en individuele hulpverlening. Hij verwijst naar de Amerikaanse Harlem Children’s Zone waar docenten, sociaal werkers, ouders en vrijwilligers zich gezamenlijk inzetten voor een succesvolle schoolloopbaan van kinderen.

U constateerde vorig jaar dat het welzijnswerk in Kanaleneiland zijn stinkende best doet, maar dat het niet helpt. Welke resultaten boekt u dan wel?
‘Mijn kritiek in de Volkskrant ging over de aanpak van achterstand. Hoe kun je dat probleem in Kanaleneiland met succes te lijf gaan? Daar speelt niet alleen het welzijnswerk een rol in. En dat kan de achterstand ook niet oplossen. Het is weinig effectief. Volgens mij komt dat omdat we niet kunnen of willen focussen op de kern van de problemen. Neem de voorscholen (vaak een combinatie van peuterspeelzaal en basisschool, met taalprogramma’s voor kinderen en ouders, red.). Uit onderzoek blijkt dat we dat heel goed doen. Maar we weten niet zeker of het helpt. Tegelijkertijd bereiken we maar 40 procent van de kinderen in Kanaleneiland die vanwege een taal- of ontwikkelingsachterstand op een voorschool zouden moeten zitten. Pas als we 80 procent van die kinderen bereiken, maken we verschil.’

Maar wat brengt het welzijnswerk verder?
‘Van wat we doen, doen we 80 procent heel goed. Voorscholen, allerlei diensten, maatschappelijk werk, sociaalraadsliedenwerk, ouderenadviseurs, schuldhulp, jeugdhulpverlening. Die diensten draaien perfect en worden hoog gewaardeerd. Maar daarmee los je de achterstand niet op. We zijn constant bezig steeds weer dezelfde vragen te beantwoorden. De wijk reproduceert achterstand, daar kom je niet doorheen. Vanuit dat perspectief zijn we met individuele diensten aan het dweilen met de kraan open. Wat kan het welzijnswerk aan de kraan doen? Daar ben ik heel bescheiden over.’

Bron: Zorg en Welzijn, 10 juni 2010